Gelijk het Gras

Cor de Jong is docent Nederlands en schrijver. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman, die bij uitgeverij Lebowski uitkomt.

Hij liep als iemand die een kruiwagen voortduwt: met hangende schouders en een gelijkmatige, bonkige pas. Zijn handen lagen over elkaar op zijn rug. Kronkelige, vertakkende aders rustten op zijn onderarmen. Hij droeg een zwarte pantalon met een onberispelijke, messcherpe vouw en een lange, grijze regenjas. Zijn gezicht zou vriendelijk geleken hebben als zijn blik niet zo somber, bijna streng was geweest.

Kerkgangers herken je direct. Niet alleen vanwege het tijdstip waarop ze zich naar de dienst begeven, of vanwege hun keurige zondagse kleding. Het is iets in hun manier van lopen dat plichtsbesef, ernst en vroomheid uitstraalt. De serene gezichten, de zedige houding, de manier waarop ze elkaar groeten, ingetogen, maar met een blik van verstandhouding waaruit blijkt dat alleen zij deelgenoot van een groot geheim zijn.

Het echtpaar dat hem tegemoet kwam was op weg naar de kerk, net als hij. Hij zou ze groeten als hij ze passeerde, met een knikje. Ze waren Hervormd, zoals hijzelf ook was geweest, ooit. De tijd dat hij zelf aan de andere kant van de weg liep. Het leek een mensenleven geleden. Het was een mensenleven geleden.

Een auto passeerde hem. Hij deed een stap de berm in, waar het modderig was. Er bleef wat aarde en gras aan de randen van zijn zolen kleven. Zijn zondagse schoenen. Mientje had ze gisteren nog gepoetst.

Hij was oud. Nog altijd was zijn rijzige gestalte imponerend, maar mensen gingen niet meer voor hem aan de kant zoals vroeger. Hij stapte nu zelf aan de kant.

Met een licht gevoel van spijt keek hij naar zijn besmeurde schoenen. De tijd dat hij klompen droeg lag achter hem. Als voetballer was hij ooit begonnen op klompen. Of eigenlijk als achterkeeper. Hij mocht de ballen halen die de echte keeper doorliet. De doelpalen waren jasjes. Altijd discussie of een bal erin zat of niet. Maar al snel mocht hij meedoen met de grote jongens. Hij was flink voor zijn leeftijd.

Een reus was hij geweest. Sterk, robuust en onverwoestbaar. Ongenaakbaar in duels, heerser over het veld. Anderen moesten twee passen maken tegenover elke stap die hij zette. Hij boezemde ontzag in, toen. Zijn naam werd afgekort tot Rien, een kerel uit één stuk. Anderen noemden hem Rinus de Rots. Maar ook gesteente slijt, erodeert en verbrokkelt met de jaren door wind en regen.

In de verte begon een kerkklok te luiden. Trage, galmende slagen volgden elkaar met regelmatige tussenpozen op. Hij neuriede mee op de trage maat. Psalm 103. Zijn lievelingspsalm. Hij kon niet goed zingen. Nooit gekund ook. Maar hij hield van de bulderende cadans van het kerkorgel en het monotone stemgeluid van de gemeente, die voetje voor voetje, noot voor noot, met waardige tred door de tekst voortschreed.

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem, die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar kracht’loos is en teer;
Wanneer de wind zich over ’t land laat hooren,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren:
Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Roem gaat voorbij. Hij wist het nu, al had het hem jaren gekost om het te ontdekken. Jaren waarin alles gedraaid had om de bal. Jaren waarin winnen het hoogste doel leek. Hoe blij was hij in ’53 met het afdelingskampioenschap geweest. Uitzinnig. Op de schouders was hij gegaan. Hij had zijn vuisten richting de hemel gebald. Hoe futiel leek het hem nu. Hij en zijn teamgenoten waren niet meer dan het gras waarop ze speelden.

Bij die bloem moest hij denken aan Wim. De Zwarte Panter. Samen hadden ze het onneembare hart van de verdediging gevormd. Hij was de Rots, de Beer. Wim de sierlijke, lenige sluitpost. Voor ze het veld op gingen controleerde Wim altijd of z’n haar wel goed zat. Even glimlachte hij en bracht zelf zijn hand naar zijn kruin. Zijn eigen krullen waren nu gemillimeterd en grijs. Wim met z’n pommade. Wim met z’n vrouwtjes. Z’n praatjes. Wim die over een bal heen dook voor een paar centen. Ze hadden hem betrapt, uiteindelijk. Omkoperij. Schande. Schorsing.

Hij zag ‘m nog misgrijpen bij die bal van Heijster in de Kuip. Was dat ook opzettelijk geweest? Vast niet. Wim was in tranen geweest na de wedstrijd. Dat waren geen krokodillentranen. Maar toch. Ergens was de twijfel gerezen.

Wim was dood nu. De steel was geknakt. Op Centraal Station voor een trein gesprongen. Hoe lang geleden was het nu? Een paar jaar alweer. Naar de begrafenis was hij niet geweest. Een treurig einde ook. Hij was aan de grond geraakt, Wim. Van zijn voetstuk gedonderd en geëindigd als soepverkoper op straat. Niet dat ze nog contact hadden gehouden. Vrienden waren ze nooit geweest, maar vijanden evenmin.

Ook de anderen waren hem vergeten. Of beter: hij was hen vergeten. Hij maalde er niet om. Hij keek nooit voetbal meer. Niet op zondag, niet op andere dagen. Televisie deed hij niet aan. Af en toe kreeg hij nog een uitnodiging voor een reünie, een ledenvergadering of andere onzin. Hij opende ze niet eens meer. Mientje gooide ze weg.

De sloot die langs de weg liep, was bedekt met kroos. Een eenzame eend baande zich een weg erdoorheen. De paardenbloemen stonden in volle bloei tussen het hoog opgeschoten bermgras dat zachtjes wuifde in de wind. Hij stond stil om er een te plukken.

Hij keek uit over de velden die bedekt waren met dauw. Kleine parels op het gras. Het beloofde een mooie dag te worden, al was het nu nog fris. Hij luisterde even naar het gezang van de vogels en het zachte ruisen van de bladeren. In gedachten verzonken reeg hij de steel van de paardenbloem door zijn bovenste knoopgat. Het geel stak fleurig af tegen de grijze stof van zijn jas toen hij verder wandelde.

Jayne Mansfield. Nog zo’n bloem. Ook dood nu. Ook gevallen voor de verleidingen van de roem. Hun kortstondige ontmoeting stond hem nog voor de geest. Waarschijnlijk zouden hun namen voor altijd met elkaar verbonden blijven door die ene kus.

Hij had hem niet zien aankomen. Plotseling had ze hem naar zich toegetrokken. De kus was half op zijn mond terechtgekomen. Natuurlijk kwam het niet door die kus dat hij die middag zo beroerd speelde, al had iedereen dat maar al te graag willen geloven. Jayne, de tietenkoningin. Ze was het symbool geworden van zijn teloorgang als speler. Nog zag hij haar op haar hoge hakken over het veld paraderen, op weg naar de middenstip. Ze wiegde met haar heupen, was zich ervan bewust dat er duizenden ogen op haar gericht waren. Ze genoot ervan, dat kon niet anders. Zo wulps als ze over het veld trippelde. Ja, hij had naar haar borsten gekeken. En net als iedereen in het stadion was hij verliefd geweest, toen. Nu liet de gedachte aan haar hem koud. De herinnering was gebleven, maar de begeerte verdwenen.

Zoals alles uit die dagen eigenlijk. Hij kon eraan terugdenken zonder dat die herinnering een verlangen in hem ontstak. Natuurlijk had hij ervan gehouden. De wedstrijden, het stadion, de bal, de interlands, het feest na afloop, de drank, de overwinningen. Het was zijn lust en zijn leven geweest, maar hij verlangde er niet naar terug. Had hij spijt? Nee, dat kon hij niet zeggen. Berouw, dat was het woord. Een groot verschil. Wie spijt heeft, zou willen dat hij het anders had gedaan. Spijt is de wens om het verleden ongedaan te maken. Berouw gaat dieper. Het is het besef dat je hebt gezondigd, maar wie berouw heeft, weet tegelijkertijd dat hij niet anders kon. Berouw is het besef van feilbaarheid, zonder dat je die feilbaarheid als excuus aanvoert.

Zonder zonde geen genade. Dat zei dominee Mallan ook. Het stond in de Bijbel, in de Brief aan de Romeinen. Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Niet onze werken brengen ons tot God, maar de kennis van onze zonde. Nee, hij had geen spijt. Het was onvermijdelijk geweest, een noodzakelijk kwaad. Hij had zichzelf als zondaar voor God leren kennen. Zijn ellende was zijn redding.

“Mo’gge.” Hij keek op, verstoord in zijn overpeinzingen. Iemand die langs hem gefietst was, had hem gegroet. Hij herkende de rug van de passant niet. Hij werd zo nu en dan nog wel begroet door mensen die hem kenden van vroeger. Voor hen was hij nog steeds de Rots van weleer. Christus noemde een van zijn volgelingen ook een Rots. Simon Petrus. Dat was hem fijntjes in herinnering gebracht toen hij het ambt van diaken aanvaard had. De rots waarop de Heiland zijn gemeente zal bouwen.

Hij zag het kerkgebouwtje liggen aan de kant van de weg. Zijn hand ging naar zijn knoopsgat. Hij trok de paardenbloem eruit, verfrommelde die en gooide hem achteloos in de berm. Een bruggetje voerde hem over de sloot naar de ingang van de kerk. De deur stond uitnodigend open. Orgelklanken kwamen hem tegemoet. Was het toeval dat juist vanochtend psalm 103 gespeeld werd? Hij stond even stil en sloot zijn ogen om te luisteren. Hij neuriede zachtjes verder.

Maar ’s Heeren gunst zal over die Hem vreezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen.¶

Hij opende zijn ogen en met kordate passen stapte hij naar de deur. Voor hij de kerk binnenstapte, hield hij even in. Hij keek naar zijn schoenen. Er kleefden natte grassprietjes aan. Net als vroeger.



'Gelijk het Gras' has no comments

Be the first to comment this post!

Would you like to share your thoughts?

Images are for demo purposes only and are properties of their respective owners.
Old Paper by ThunderThemes.net