Vijfentwintig jaar uit het leven van een bibliothecaresse

door Ria van der Geest

Dezer dagen is het precies 25 jaar geleden dat ik mijn eerste schreden in het R.M.L. zette om te solliciteren naar de functie van bibliothecaresse. Een bibliotheek was er toen nog niet. Wel hadden de diverse vaksecties wat boeken in hun kabinetjes maar heel veel stelde dit niet voor. Het enige vak dat over een aardige collectie beschikte, liet meteen bij mijn kennismakingsbezoek weten, deze boeken niet af te zullen staan…

In de kelder bevond zich toen (maart 1978) nog de fietsenstalling. Deze zou in de zomervakantie tot bibliotheek verbouwd worden.Men wilde zo snel mogelijk starten, maar ik had verplichtingen elders. Pas per 1 augustus 1978 zou ik officieel worden aangesteld. Om alvast een eerste opzet te realiseren heb ik toen vanaf eind april mijn vrije vrijdagen voor het Montessori ingezet. Samen met Hans Mangert bezocht ik een paar schoolbibliotheken elders in het land. Ik maakte een indeling voor de nieuwe ruimte, koos en bestelde meubilair en werd voorlopig geïnstalleerd in een klein lokaaltje op de eerste verdieping.

Drie en twintig jaar later zou ik daar opnieuw een tijdelijk onderkomen vinden.

 

Mijn eerste vrijdag in dat lokaaltje was daags na de koldernacht, een mij onbekend fenomeen. Het stonk naar rook en verschaald bier en alles plakte. Naar die ruimte werden alle boeken van de diverse secties gebracht. Heel veel oud en niet meer bruikbaar. Ik moest flink schiften en uiteraard heel veel nieuw bestellen. Dit laatste in overleg met de sectiehoofden. De oude boeken die wél gehandhaafd werden, gingen met dozen vol naar de Sociale Werkplaats in Overschie – waar ze gekartonneerd en geplastificeerd werden. De nieuw aangeschafte boeken gingen hier ook heen. Boeken met harde kaft werden in eigen beheer geplastificeerd, waarbij ik hulp kreeg van een aantal moeders. Dat was wel vermakelijk: artsen, advocaten en andere hoog opgeleide moeders zaten daar te zwoegen om kreuk- en luchtbelvrij te plastificeren.

Tegen die tijd zat ik overigens al in de kelder: een grote lege ruimte met een paar noodtafels. Ik maakte het daar mee dat er een muis over mijn typemachine liep. Ik heb er zelfs een eigenhandig gevangen, niet wetend dat ik twintig jaar later voortdurend een muis in mijn hand zou hebben…

In het lokaaltje op de eerste verdieping was ik al begonnen met catalogiseren: gewoon het eerste boek van de stapel gepakt, titelbeschrijving op een cataloguskaartje getypt, indeling volgens het SISO bepaald, gestempeld, etiket gemaakt. Vervolgens het tweede boek enzovoorts. Uiteindelijk resulteerde dit in 36 catalogusbakken vol kaartjes. Maar toen was ik wel 15 jaar verder.

De boekenkasten werden geplaatst en voor zover mogelijk met boeken gevuld. Ook de tafels en stoelen, het bureau, de catalogusbakken en het fotokopieerapparaat vonden een plek. Voor de ramen timmerde meneer Paerel, de toenmalige conciërge die enorm enthousiast was, dragers met planken waarop 9 plantenbakken stonden die ik jaarlijks aan het begin van het schooljaar zou verversen en stekken.

Tijdens het kerstdiner 1978 werd de bibliotheek officieel geopend. De groepsfoto werd daar gemaakt en iedereen bracht (op de nieuwe vloerbedekking!) een toast op de toekomst uit. Na de kerstvakantie zou de bibliotheek halve dagen geopend zijn met een uiteraard nog beperkt boekenbezit.

Zo is het dus gekomen. In het schooljaar 1979/1980 ging de bieb hele dagen open en intussen groeide het boekenaantal en dus de catalogus enorm. Uiteindelijk tot 12.500 boeken. Na de alfabetische en systematische catalogus, maakte ik een titelcatalogus voor de bellettrie en jeugdboeken en een trefwoordencatalogus voor de informatieboeken. Vooral dat laatste is heel belangrijk om tot een goede ontsluiting van de boeken en tijdschriften te komen. Dit was een grote klus m.n. voor de ingebonden tijdschriften als bijv. Natuur &Techniek en Spiegel Historiael. Per jaargang typte ik wel zo’n 60 kaartjes!

Een laatste uitbreiding van de catalogus waren de uittrekselkaartjes. Hierdoor konden de leerlingen in één oogopslag zien of en zo ja in welk uittrekselboek een bepaald boek werd behandeld. Zelfs leerlingen die onze school voortijdig verlaten hadden, kwamen tegen de examentijd nog naar hun oude bieb om van deze service gebruik te maken. Al deze categorieën kaartjes waren verschillend van kleur en zaten in een uitgebreid alfabet. Vandaar dus die 36 bakken vol!

In ca. 1983 was ik begonnen aan knipselmappen. We hadden aanvankelijk een abonnement bij het Ned. Bib. en Lectuurcentrum, maar dit is al snel wegens hoge kosten en i.v.m. het feit dat het niet echt voor scholen bedoeld was, opgezegd. Ik bleef het echter wel bijhouden met knipsels uit eigen en andermans kranten. De bieb beschikte hiermee over knipselmappen over literaire en actuele onderwerpen. Een bestand dat nooit af is…

Intussen was de uitleen natuurlijk ook volop bezig. Mijn topjaar was 1982/83. Dat geeft wel te denken: het boekenbezit was toen slechts de helft van wat het later werd, maar toch heb ik in dat jaar het meest uitgeleend. Sindsdien zakt het uitleencijfer gestaag. Overigens was en is dit een landelijk verschijnsel.

De bieb deed ook dienst als studieruimte. Zeer regelmatig kwamen klassen met hun docent werken aan werkstukken geschiedenis, aardrijkskunde, biologie of anderszins. Ook kwamen veel leerlingen individueel hun tussenuren in de bieb doorbrengen. In het jaarverslag dat ik jaarlijks produceerde werd dit alles precies in aantallen weergegeven: boekenbezit, tijdschriften en documentatiemappen, uitleencijfers, bezoekersaantallen, aantal gemaakte fotokopieën. Een aantal jaren had ik zelfs een kopje “Rampen” in dat verslag: overstromingen (6 keer!) en inbraken (5 keer). Die overstromingen zijn een hoofdstuk apart. Gelukkig heb ik de exacte oorzaken verdrongen, maar ze waren zeer divers en hadden allemaal als gevolg dat mijn tapijttegels in grotere of kleinere aantallen verwijderd moesten worden en in de stookkelder te drogen gezet. En uiteraard pasten ze nooit meer precies, dus werden er voortdurend stukjes vanaf gesneden. Die goeie meneer Paerel heeft daarmee (en met mijn kritisch oog t.a.v. de vleug) heel wat te stellen gehad. Overigens was deze zelfde meneer Paerel mijn beste lezer. Op bijna alle boekkaartjes van de Nederlandse literatuur stond zijn naam bovenaan vermeld.

Na de voltooiing van mijn eerste levenswerk (de kaartcatalogus dus) heb ik nog een thematische catalogus Nederlands en Jeugdliteratuur gemaakt. Deze waren in multomappen opgenomen en werden vooral voor Nederlands zeer frequent gebruikt.

En toen kwam de computer…

Aangezien onze bieb, al zeg ik het zelf, een heel goede was met een uitstekende ontsluiting d.m.v. al die duizenden kaartjes, was de drang tot overgaan naar een geautomatiseerde catalogus en uitleen bij mij niet geweldig groot. Hier was duidelijk sprake van “de wet van de remmende voorsprong”. Ik had tot ca. 1988 zelfs nog nooit op een elektrische typemachine gewerkt. Nog steeds gebruikte ik de (door de administratie afgedankte) mechanische machine. Dit kon natuurlijk niet blijven al had ik graag die beker tot mijn opvolger willen uitstellen. Maar helaas, daar was ik niet oud genoeg voor. Toen de toenmalige rector Frans Ohm mij wees op een computercursus voor O.O.P.-ers heb ik daar dus gebruik van gemaakt en mede dankzij Hans Joosten die mij één van de computers uit het informaticalokaal bezorgde, heb ik mijn eerste schreden op het computerpad gezet.

De eerste tijd gebruikte ik die overigens alleen maar als tekstverwerker. Inmiddels was ik lid van de Medezeggenschapsraad geworden en zelfs secretaris, waardoor ik heel wat te notuleren had, vooral bij de personeelsgeleding waar in die tijd het Formatiebudget Systeem en de taken/punten voor het personeel hete hangijzers waren. En toen eenmaal deze notuleerkwaliteit was opgemerkt, mocht ik dat ook bij de Plenaire vergaderingen doen.

Een laatste niet-bieb-taak die op mijn pad kwam, was de oud-leerlingen administratie. Bij het 50-jarig bestaan van de school (1986) werd mij gevraagd de telefoontjes van oud-leerlingen te beantwoorden (“Want ik had een telefoon en zat altijd op mijn plek”). In die tijd was men begonnen aan een adressenbestand voor oud-leerlingen. Een groep vrijwilligers had alvast (in kaartvorm) een goed begin gemaakt. Bij het volgende lustrum zat ik in de lustrum- en reüniecommissie en toen was het zaak dit bestand te perfectioneren en in de computer te zetten. Dat is een gigantische klus geweest, waarbij ik zelfs op Koninginnedag enTweede Pinksterdag in mijn eentje met een thermoskan koffie op school zat te speuren in telefoonboeken en oude kaartsystemen. Uiteindelijk is ook die klus geklaard en blijkens de reacties van veel oud-leerlingen waren ze erg blij met het feit dat we hen per brief benaderden met een uitnodiging voor de reünie. Dat adressenbestand berust nog steeds bij mij en wordt jaarlijks aangevuld met schoolverlaters. Ook houd ik de wijzigingen bij. Bij de laatste reünie (2001) speelde email en internet een grote rol en dat zal waarschijnlijk de volgende keer nog sterker het geval zijn. Maar dan ben ik weg…

Wat is er nog meer te melden uit die voor-mediatheek periode? De videobanden. Ooit was Henk Klem daarmee begonnen (én met het Philips 2000-systeem). Het aantal banden groeide en de overzichtelijkheid niet. Dus kwam dat op mijn bordje. Nog steeds trouwens. Ik maakte (alweer een kaartcatalogus op trefwoord, voorzag alle banden van nummers, opschriften, inhoudsopgaven enz. Ik heb het kaartenbakje nog staan en nog steeds willen veel docenten liever in dat (niet meer up to date) kaartbestandje kijken dan op de computer. Het videobestand beslaat inmiddels zo’n 900 programma’s en die zitten nu dus (bijna) allemaal in de computer.

Dan was er de docentenbibliotheek in de docentenkamer. Ook daarvan maakte ik een kaartcatalogus. Alle boeken werden geplastificeerd en uitleenklaar gemaakt. In de computer zitten er nog maar een paar. Dat moet dus nog…

Over de uitleen ben ik wat snel heengegaan, maar ook daar valt nog wel het een en ander te vertellen. Lenen is geen kunst, maar brengen… Ik heb heel wat telefoontjes gepleegd en brieven verstuurd en uiteindelijk was Hans Mangert mijn laatste strohalm. Af en toe kreeg hij een lijstje “hardnekkige gevallen”. De leerlingen van dat lijstje werden uit de klas gehaald en bij opnieuw in gebreke blijven naar huis gestuurd om hun boek op te halen. En dan was er natuurlijk de boete. Ook in de inning daarvan zit veel energie. Velen vinden dat ik me daar te druk om maak, maar het stoort mij mateloos, dat probleemloze leerlingen braaf hun boete betalen en de lastposten niet. Ik vind dat niet eerlijk. Juist die lastpakken moeten het voelen, vind ik.

Intussen zat de Tweede Fase en Het Studiehuis en dus de verbouwing er aan te komen. Dat betekende voor de bibliotheek een enorme verandering. Er waren, vooruitlopend op de verbouwing, alvast 3 zeshoekige tafels met 18 computers in de bibliotheek geplaatst. Internet was nog beperkt, maar de belangstelling enorm. Mijn taak werd hierdoor (en door de een jaar eerder ingevoerde Keuze Werktijd Tijd) veel zwaarder. Had ik vroeger vooral toeloop van serieuze leerlingen die met boeken aan de gang gingen, nu kwam er vooral een heel ander soort dat alleen belangstelling had/heeft voor spelletjes en andere ongein op de computer. Mijn taak werd helaas steeds meer politieagent en steeds minder begeleider bij het zoeken naar informatie. En dat is zo gebleven…

Eind 1998 had ik een computerprogramma voor schoolbibliotheken besteld en in 1999 ben ik daadwerkelijk met het invoeren van de boeken begonnen. Ook ben ik in 1999 een dag minder gaan werken i.v.m. leeftijdsverlof (bapo). Voortaan kwam er op dinsdag een gedetacheerde van de Gemeentebieb mij vervangen. Aan het eind van het schooljaar 1999/2000 werden op alle boeken, voor zover ze al in de computer zaten, barcodes aangebracht en geplastificeerd.

In april 2001 heb ik het totale boekenbezit in verhuisdozen gepakt waarna deze zijn opgeslagen buiten de school. Ikzelf verhuisde met wat naslagboeken en mijn computer en catalogusbakken naar het in het begin van mijn verhaal genoemde kamertje, waar ik eerst de achterstand in het oud-leerlingenbestand wegwerkte (er kwam weer een reünie!) en vervolgens aan de hand van mijn kaartjes verder ging met het invoeren van gegevens in de computer. Mijn M.R.- en andere notuleertaken had ik al opgegeven toen ik aan dit tweede levenswerk begon. (Ook dat levenswerk is intussen klaar al ben ik nog wel steeds doende het te perfectioneren.)

Die heerlijk rustige (zonder leerlingen!) periode duurde tot de grote vakantie. Halverwege augustus 2001 werden de boekenkasten in de verbouwde mediatheek teruggeplaatst en kon de inrichting daar weer ter hand worden genomen. Toen kreeg ik ook (voor het eerst) een assistent: Ted Riepsaame, die al een aantal jaren op de conciërgerie had gewerkt. Zijn taak ligt in de computerafdeling van de mediatheek: toezicht en technische hulp. En op dinsdag word ik sinds september 2001 vervangen door mevr. Mangert.

Zoals tussen de regels door vast te lezen was, ligt mijn hart nog steeds bij de boeken en niet bij de computers. Aangezien tegenwoordig (en in de toekomst) het onderwijs en dus de mediatheek zich steeds minder op boeken richt, is mijn plezier in het werk verminderd. Het is dus maar goed dat ik na 25 jaar mijn taak aan een opvolger zal overdragen. Want de mediatheek is “het kloppend hart van de school” en verdient het geleid te worden door een enthousiasteling die er een uitdaging in ziet jonge mensen (en hun docenten!) te helpen bij het vinden van hun weg naar de juiste informatie, ook als ze dat alleen via het internet willen.



'Vijfentwintig jaar uit het leven van een bibliothecaresse' has no comments

Be the first to comment this post!

Would you like to share your thoughts?

Images are for demo purposes only and are properties of their respective owners.
Old Paper by ThunderThemes.net